catalogustekst Utrecht 2008
Als kind neem je de tijd om rustig naar smeltende sneeuw te kijken. Om schijnbaar waardeloze schatten aan nader onderzoek te onderwerpen. Een tol bijvoorbeeld, of een doorgeknipt slot. Of om waanzinnig te genieten van een ijscoupe, zoals de jonge vrouw in de film nog altijd doet. Als meisje werd ze al door haar vader mee naar de ijssalon genomen, waar ze haar eerste aardbeiensorbet naar binnen lepelde. En nog steeds bezoekt ze haar vertrouwde ijssalon. 'Hoeveel ijssalons Venetië zijn er eigenlijk in Nederland?', zo vraagt ze zich af. Ze gaat op zoek, tijdens een zonnige zomer. Alle ijssalons die naar Venetië vernoemd zijn, bezoekt ze - van Leeuwarden tot Utrecht en van Zeist tot Oss. Steeds eet ze, duidelijk genietend, een luxe ijsje. IJsjes met klinkende namen als Coupe Da Vinci, een Coupe Amarena of Melone. Ondertussen vertelt ze verwonderd over de geschiedenis van de bezochte zaken. Ook zien we beelden van de weg naar de ijssalons toe. Een vangrail, een weidse polder, bruggen en treinen. Soms stapt ze uit om over het Hollandse landschap te staren.
|